Contacttypen
Bron: ATMS
Bij het laserlassen moet gestreefd worden naar een zo goed mogelijk contact tussen smeltbad en onderliggend materiaal. Dit wordt verkregen door een vlak-vlak contact, dat verkregen wordt door twee strippen op elkaar te leggen. Het lijn-contact: draad tegen strip en punt-contact: twee draden, moeten vermeden worden. Deze beide laatste zijn juist bij het weerstandslassen aan te bevelen.
Wanneer een draad op een strip gelast moet worden, dan kan het uiteinde van de draad platgeslagen worden om toch nog een vlak-vlak contact te verkrijgen.
Keuzecriteria voor het type lasnaad
- Lasproces
- Geleidingslassen
- Key hole lassen
- Type belasting, krachtdoorleiding, spanningstoestand in de lasnaad
- Toegankelijkheid voor het lassen en het opspannen
- Type naad (bijvoorbeeld stompe naad, hoeknaad)
- Productietoleranties van de stootvlakken
- Opvangmogelijkheid voor de productietoleranties
Eisen aan de lasnaad
- Materiaal (materiaal, lasbaarheid, plaatdikte)
- Stevigheidseisen en kerfwerking
- Arbeids- en functievlakken in de buurt van de naad
- Naadlengte en -verloop
- Gesloten en niet gesloten naden
- Vatbaarheid voor corrosie
- Uiterlijk en design
- Poreusheid
- Afwezigheid van spatten
- Vermoeiingsweerstand
Bij het laserlassen moeten het laservermogen en de lassnelheid zo gekozen worden dat de las aan de kwaliteitseisen voldoet. In de praktijk blijkt dat bij een gegeven materiaaldikte het laservermogen en de lassnelheid slechts binnen bepaalde grenzen kan worden gevarieerd. Een te lage snelheid resulteert in het 'uitzakken' van de las (undercut). Een te hoge snelheid kan aanleiding geven tot poreuze lassen.